TBS en zo meer

Website beheer

Inloggen alleen voor beheerders van deze website.

Deel 3: Over de legitimiteit van de TBS

Inleiding.

Bij mijn onderzoek naar de juridische aspecten van het Nederlandse TBS-stelsel ben ik uitgegaan van drie aannames.

1. De aanname dat de overheid uiteraard  gelegitimeerd is tot het voeren van sturend beleid ten aanzien van het TBS-stelsel, maar dat zij in de uitvoering van dat beleid gelimiteerd wordt door de Grondwet en regels op het gebied van het Nederlandse strafrecht en gezondheidsrecht. Ook wordt zij gelimiteerd in haar strafrechtelijk en veiligheidsbeleid door universeel geldende regels op het gebied van rechtsgelijkheid en rechtszekerheid. Tenslotte zijn er de door Nederland geratificeerde  internationale verdragen die haar handelingsvrijheid beperken alsook beperkingen op het gebied van mens- en geldmiddelen.

2. De aanname dat  gezondheidsrecht en strafrecht gelijkwaardig zijn en dat van deze gelijkwaardigheid dient te blijken in de wijze waarop beide rechtsgebieden zo volledig mogelijk bij de benadering van de TBS-gestelde tot gelding komen[1]. Uiteraard is het zo dat bij de uitvoering van de straf het primaat ligt bij het strafrecht  (aan de strafmaat mag niet getornd worden) en bij de uitvoering van de maatregel (waarbinnen vooralsnog de behandeling in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) plaatsvindt) bij het gezondheidsrecht. Omdat de behandeling een, door de overheid erkende, belangrijke rol speelt bij de borging van de veiligheid van de samenleving, dient aan het primaat voor het gezondheidsrecht bij de uitvoering van de maatregel de zinsnede te worden toegevoegd “tenzij de veiligheid van de samenleving een ingreep i n de medische behandeling vordert”. De overheid dient  vanuit  haar plicht de zorg voor justitiabelen te faciliteren te voldoen aan het equivalentiebeginsel [2]:  de kwaliteit van de zorg dient, ook waar het  (een tijdige) toegang tot de zorg betreft, van hetzelfde kwaliteitsniveau te zijn als de zorg voor de “gewone” burger. Om die reden dient zij harerzijds alléén in de behandeling in een FPC in te grijpen als bewezen is dat de veiligheid van de samenleving gevaar loopt. De overheid zou zich bij de toepassen van het equivalentiebeginsel niet mogen verschuilen achter het justitiabel zijn van de TBS-gestelde om daarmee te rechtvaardigen dat zij deze groep gedurende de gehele straftijd de specialistische behandeling in een FPC onthoudt die blijkens de Pro Justitia rapportage geїndiceerd is[3]

3. Aangenomen wordt  dat de sterke reductie van de recidive[4] van ernstige delicten een specifiek behandeleffect betreft, en niet het resultaat is van een (zeer) langdurige opsluiting. Ook de overheid beleidt met de mond dat dit haar uitgangspunt is. Dat betekent dat met een verbetering van de kwaliteit van de behandeling een verdere verbetering van de recidive-cijfers te verwachten is.  

Op grond van het equivalentiebeginsel ligt het dus voor de hand  te veronderstellen dat  de TBS-gestelde dezelfde toegangsmogelijkheden tot adequate zorg[5]heeft als iedere burger. Dat nu, is niet het geval: behandeling in een FPC wordt uitgesteld tot na executie van (2/3de van) de gevangenisstraf.

Gevangenisstraf tot vergelding van schuld; maatregel tot verhoging  van de veiligheid.

De overheid maakt theoretisch onderscheid tussen straf ter vergelding van schuld en de maatregel die overwegend de bedoeling heeft de veiligheid van de samenleving te borgen. Op dit onderscheid wijst de overheid in de Nota van Toelichting bij het schrappen van de Fokkens regeling. Zij spreekt immers over een bevoordeling van de TBS-gestelde ten opzichte van andere justitiabelen omdat de eersten onder de Fokkens regeling na 1/3de van de straftijd de gevangenis verlaten om vervolgens –in onvrijheid- in een FPC  behandeld te gaan worden. Zij gaat daarmee volledig voorbij aan de stellingname van de bewindsman in 1993 èn de mening van de Raad van State in 2010 dat de straftijd gewoon doorloopt als de opgelegde straf tijdens het verblijf in het FPC nog niet is uitgezeten. De straf wordt niet veranderd, de locatie waar die straf wordt geëxecuteerd wel. De huidige en de vorige bewindspersonen gaan hiermee stilzwijgend voorbij aan een beleid waarin het belang van een tijdig gestarte behandeling op het juiste niveau goed verenigbaar werd geacht met de belangen van een gerechtvaardigde vrijheidsbeneming als schulddelging en als beveiligingsdmiddel. De overheid is dus geheel teruggekeerd naar de toestand voor 1997 toen gevangenisstraf en behandeling in een TBS-kliniek in tijd volledig gescheiden waren en zij devalueert daarmee de plaats die een adequate behandeling inneemt bij de borging van de veiligheid. De overheid is dan ook, doordat zij de executievolgorde stilzwijgend en hardnekkig handhaaft, niet bij machte, in tegenstelling tot alle andere gremia, te erkennen  dat de vrijheidsbeneming na de straf een ernstige en niet gerechtvaardigde verlenging en dus verzwaring van de straf is. Als zij dat wel zou erkennen zou dat onherroepelijk tot gevolg moeten hebben dat zij deze groep patiënt/delinkwent adequaat laat behandelen tijdens de gevangenisstraf in de combinatie FPC, eventueel gevolgd door het PPC. Het verlengen van de vrijheidsbeneming na de gevangenisstraf wordt dan beperkt tot diegenen onder hen bij wie bewezen kan worden dat zij nog rond de VI datum een gevaar vormen voor de samenleving.  De overheid loopt dus als het ware zichzelf voor de voeten.

 

 De maatregel beschikt  ten behoeve van de borging van de veiligheid oveer drie middelen: opsluiting als passief middel tot preventie van recidive, behandeling in een FPC als actieve preventie, en de verlengingsregeling elke twee (in longstay drie) jaar. Tijdens de behandeling  na de gevangenisstraf   dient de overheid,  op grond van het door haarzelf aangebrachte theoretische onderscheid, zich in feite te onthouden van ingrepen in de behandeling in de vorm van bestraffing. Omdat de gevangenisstraf immers is uitgezeten. Dit tenzij bij elke ingreep bewezen kan worden dat de veiligheid van de samenleving systematisch[6] bedreigd wordt. Als en belangrijkste beveiligingsmiddel is er de regeling waarmee de rechter elke twee jaar de  vrijheidsbeneming kan verlengen.  Het theoretische onderscheid wordt futiel als de overheid zelf tijdens de behandelperiode na de gevangenisstraf straffen uitdeelt (bijvoorbeeld het blokkeren van proefverlof). Ook daardoor wordt de vrijheidsbeneming na de gevangenisstraf door alle betrokkenen behalve de overheid gezien als een disproportionele strafverzwaring. 

Ik onderneem aan de hand van de bovengenoemde drie aannames een poging het TBS-stelsel vanuit beide rechtsgebieden te toetsen aan de vereiste  rechtsgelijkheid en rechtszekerheid op zorgrechtelijk gebied, ook voor TBS-gestelden.  

Rechtsongelijkheid en rechtsonzekerheid.

1. Op grond van de diagnostische bevindingen in het kader van de PJ-rapportage  wordt de indicatie gesteld voor behandeling in een FPC. Deze medische indicatie wordt door de rechter bevestigd als hij de ernstig psychisch gestoorde/zieke pleger van een ernstig gewelds- en/of zedendelict een gecombineerd vonnis oplegt. Het begin van de behandeling in een FPC wordt evenwel uitgesteld tot na executie van (2/3de van) de gevangenisstraf. Dat is mijns inziens strijdig met het equivalentiebeginsel. Dat de rechter een aantal mogelijkheden heeft in een crisis-situatie de patiёnt/delinquent eerder naar een FPC over te plaatsen verandert daaraan niets. Ook het gegeven dat  TBS-gestelden sinds 2009 “een vorm van behandeling” in een PPC krijgen betekent niet dat daarmee aan het equivalentiebeginsel voldaan wordt, omdat in het PPC geen adequate behandeling van deze vaak multipel gestoorde delinquenten mogelijk is. Zie deel 4 van de serie.

2. Uitsluitend de TBS-gestelde wordt daarmee  de toegang tot adequate, psychiatrische/psychologische en/of gedragskundige zorg in een FPC ontzegd. Dit  in tegenstelling tot de zorg die de in vrijheid levende burger, de “gewone” gestrafte, en degene die, om andere reden dan het gecombineerde vonnis[7],  verblijft in een gevangenis met PPC-faciliteit,  tijdig ter beschikking staat. Omdat een adequate behandeling niet wordt uitgevoerd wordt de TBS-er op die manier de mogelijkheid ontnomen om tegen het einde van de straftijd te laten zien dat hij geen gevaar meer vormt voor de samenleving.

3. Bij degene die zijn straf uitzit in een gevangenis met PPC-faciliteit  wordt voor het ontslag uit detentie vooralsnog geen risicotaxatie op recidive van ziekte en/of delict uitgevoerd , zoals dat wel gebeurt bij  de TBS-gestelde tijdens de tweejaarlijkse verlengingszittingen.  Dit ondanks het feit dat bij beide groepen gedetineerden sprake is van een samengaan van delict en psychische stoornis, met dus  een vergelijkbare kans op recidive. Een risicotaxatie voor de VI datum bij de delinkwenten die in een PPC verblijven, zou zeker zijn nut kunnen hebben indien er geen vaste relatie bestaat tussen de ernst van een delict en de ernst van de stoornis(sen).

4.  Ook binnen de groep van TBS-gestelden is er gezondheidsrechtelijk sprake van ongelijkheid: de       zwaarder gestrafte (en mogelijk zwaarder gestoorde),  moet langer op adequate behandeling (“op het vereiste niveau” dus in een FPC) wachten dan de korter gestrafte. Hier komt de tegenstelling tussen het strafrechtelijk overheidsbeleid  en het gezondheidsrecht tot uiting: bezien vanuit het strafrecht had de langer gestrafte TBS-gestelde maar ook de andere justitiabelen, ten tijde van de Fokkens regeling,  het “voordeel” dat hij, relatief gezien,  in de gevangenisstraf meer gekort werd dan de korter gestrafte en de “gewone” gestrafte. Dat was een van de door de staatssecretaris aangehaalde argumenten om de Fokkens regeling af te schaffen. Het “theoretische “ voordeel verkeert daardoor echter in een nadeel omdat de vrijheidsbeneming na de gevangenisstraf met gemiddeld 10 jaar, die tijdens de Fokkens regeling met 1/3de werd gekort,  nu volledig tot gelding komt en de TBS-gestelde 1/3de van zijn straftijd langer op een adequate behandeling moet wachten.     

 5.  Rechtsongelijkheid is er ook op het gebied van de rechtszekerheid. Immers uitsluitend de TBS-gestelde leeft in grote onzekerheid over zijn in-vrijheid-stelling na straf en maatregel. Een onzekerheid die uiteraard, afhankelijk van de aard en ernst van de stoornis, niet helemaal weg te nemen is, maar waarvan de duur aanzienlijk kan worden teruggebracht. Bij tijdige start van de behandeling tijdens de detentie in aansluiting aan het diagnostisch proces is waarschijnlijk ten tijde van de expiratie van de straf duidelijk of de behandeling  succes heeft gehad of niet. Bij mislukken van de behandeling (plus het aantoonbaar aanhouden van het gevaar) kan dan op een veel vroeger tijdstip, veelal in aansluiting op expiratie van de (lange) gevangenisstraf, de vrijheidsbeneming voortgezet worden in longstay.

6. Ook zijn het alleen de TBS-gestelden die automatisch van gevangenis naar FPC worden overgeplaatst op grond van een vaak vele jaren tevoren genomen rechterlijke beslissing. Dit zonder dat bij expiratie van de straf door behandelaars, de rechter, het  OM en, bij voorkeur, ook het Adviesorgaan Verloftoetsing TBS (AVT), nagegaan wordt of het gevaar voor de samenleving nog aanwezig is. Dus of “de openbare orde zulks -de vrijheidsbeneming-  nog bepaaldelijk vordert”[8]. Daarvoor staat -steeds betrouwbaarder- het middel van risicotaxatie thans ter beschikking. O.a. door ziekte[9] of ouderdom (het uitblussen van de agressieve en/of sexueel delinkwente gedragingen  op oudere leeftijd) of het volwassen worden van (het brein van) de adolescente first offen der kan het gevaar verdwijnen[10]. Een verlengingszitting in aansluiting aan de gevangenisstraf zou, ook bij de huidige executievolgorde,  waarschijnlijk leiden tot verlenging van de vrijheidsbeneming, omdat immers de patiënt/delinquent niet (adequaat)  behandeld werd. Een schoolvoorbeeld van een self fulfilling prophecy. Omdat een dergelijke verlengingszitting vooralsnog niet plaatsvindt wordt met zekerheid een aantal van deze justitiabelen ten onrechte de vrijheid onthouden gedurende minimaal 2 jaar[11]. Terzijde zij opgemerkt dat de rechter volgens mij ook nu al de mogelijkheid heeft het actualiseren van het gevaarscriterium af te dwingen. Hij zou ten tijde van het vonnis aan het opleggen van TBS de voorwaarde kunnen verbinden dat voorafgaand aan de opneming in het FPC uit onderzoek inclusief risicotaxatie moet blijken dat de dader nog steeds een gevaar voor de samenleving vormt en dat dus TBS met dwangverpleging terecht gevorderd wordt.

7. De plegers van ernstige delicten die het delict in het geheel niet wordt toegerekend omdat zij volledig ontoerekeningsvatbaar zijn, worden zonder gevangenisstraf meteen geplaatst in een gesloten psychiatrisch ziekenhuis of een gespecialiseerd FPC en daar uiteraard meteen behandeld, nadat de psychische (en eventuele somatische) problematiek in kaart is gebracht. Is, als gevolg van de behandeling, het gevaar voor zichzelf en alle anderen geweken, dan komt betrokkene vrij, met eventueel nazorg door de GGZ. Het is mij niet bekend of daarbij een risicotaxatie plaatsvindt, maar dat lijkt mij aannemelijk. De aard van de vrijheidsbeneming in deze setting is exact dezelfde als die in het FPC: als de vergelding heeft plaatsgevonden is de positie van de TBS-gestelde die van de volledig ontoerekeningsvatbaren: hij is schuldeloos. Ook hier komt betrokkene vrij als het gevaar voor zichzelf, de medewerkers van de kliniek en de samenleving in voldoende mate geweken is. Waarom moet de TBS-gestelde, die per definitie gedeeltelijk ontoerekeningsvatbaar is, wachten tot na executie van de gevangenisstraf, nu de omstandigheid van  verminderde schuld, nauwelijks nog leidt tot vermindering van de gevangenisstraf (Robert M: een jaar op de twintig)? Het is niet goed in te zien, waarom een adequate behandeling van het niveau van een FPC niet zou kunnen plaatsvinden tijdens de schulddelging middels de gevangenisstraf. Ook is niet goed te begrijpen waarom er niet naar gestreefd wordt om de vrijheidsbeneming na de straf, die door alle betrokkenen behalve de overheid als een verzwaring van de straf ervaren wordt te beperken tot degenen waarvan gebleken is dat zij niet te behandelen of niet corrigeerbaar zijn plus die korter gestraften bij wie de intramurale behandeling nog niet voltooid is ? 

Dat rechter en administratie een negental mogelijkheden hebben om de potentieel schadelijke gevolgen van uitstel van behandeling te verminderen of te vermijden[12]door het mogelijk te maken betrokkene reeds voor de datum van VI over te plaatsen naar een behandelkliniek, wijst er op dat ook de wetgever zich bewust is van het risico op schade bij de TBS-gestelden en andere psychisch gestoorde delinkwenten en detentie-ongeschikten. Als het beleid van uitstel van behandeling zoveel  uitzonderingen nodig heeft zegt dat iets over de kwaliteit van dat beleid en die regelgeving  en zou het overweging verdienen de regels zó te wijzigen dat het maken van uitzonderingen om schade te voorkomen, overbodig worden.  Dat kan bijvoorbeeld door de behandeling in een FPC van de TBS-gestelde niet uit te stellen.

Is de executievolgorde van straf en behandeling (in een FPC) legitiem ?

De vraag rijst of de beschreven ongelijkheid op gezondheidsrechtelijk gebied en de vermijdbaar lange duur van de rechtsonzekerheid niet in strijd is met algemene rechtsbeginselen. Het lijkt daarom zinvol het Nederlandse TBS-stelsel te toetsen aan de Grondwet en wel aan de artikelen 1 en 22.  De vraag naar het al of niet discriminerende karakter van het huidige TBS stelsel spitst zich mijns inziens toe op de van de tekst afgeleide vraag of er sprake is van “gelijke gevallen”. Ondanks de arbitraire grens van een te verwachten gevangenisstraf van tenminste 4 jaar tussen het wel of niet opleggen van TBS, is de overeenkomst tussen de delictplegers met een psychische stoornis aan beide zijden van deze grens mijns inziens veel wezenlijker. Mijns inziens is daarom sprake van “gelijke gevallen” en ontstaat daarmee de noodzaak van toetsing aan art. 1[13]. Daarnaast is het de vraag of de overheid voldoet aan haar zorgplicht, zoals omschreven in art. 22[14]. Hier is het niet alleen de vraag of de overheid in voldoende mate de gezondheidszorg voor TBS-gestelden bevordert, maar ook of zij de zorg niet benadeelt en achterstelt binnen haar veiligheidsbeleid.

Tenslotte rijst de vraag of het Nederlandse TBS stelsel de toets der kritiek kan doorstaan in het licht van bijvoorbeeld het EVRM en de jurisprudentie van het EHRM. Nederland is verscheidene keren veroordeeld voor schending van artikel 5 (het recht op vrijheid en veiligheid) naar aanleiding van het passantenprobleem. [15] Het is de vraag of uitstel van adequate medische behandeling niet strijdig is met artikel 3 (verbod van foltering[16]).  Het ontbreken van een actualisering van het gevaarcriterium (zie hiervoor onder 6, p. 5) is naar mijn mening strijdig met artikel 6 (recht op een eerlijk proces of een eerlijke procedure). In relatie daarmee kan men zich afvragen of er niet ook strijd is met artikel 5.  Ook komt hier opnieuw de vraag op of er in het kader van het EVRM (protocol 12, art. 14) gesproken kan worden van discriminatie van TBS-gestelden. In dit protocol is in artikel 14 het fundamentele recht opgenomen gevrijwaard te blijven van discriminatie. Die vrijwaring geldt alleen voor rechten en vrijheden genoemd in het EVRM. De Tweede Kamer heeft op 23 september 2003 protocol 12 met algemene stemmen aangenomen.    

Volgens het verdrag over de Principles of the Rights of Patients in Europe, art. 5. is het hanteren van andere criteria dan verschillen in medische behoefte ter rechtvaardiging van verschillen in behandeling niet geoorloofd. Ieder ander criterium komt volgens het verdrag neer op discriminatie. Deze principes zijn door Nederland onderschreven.

Ook het Internationale Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (IVESCR) (artikel 12), door Nederland geratificeerd, kan in dit verband worden vermeld. 

Conclusie.

 

Mijns inziens is er voldoende reden de legitimiteit van de huidige vormgeving  van het Nederlandse TBS-stelsel  te toetsen aan nationale en internationale rechtsbeginselen op het gebied van het strafrecht, maar vooral ook het gezondheidsrecht. De overheid zal zich, ter rechtvaardiging van het huidige beleid, verschuilen achter het veiligheidsargument, maar de vraag blijft of het uitermate repressieve beleid van de laatste jaren “niet voorbij de  veiligheid is”. Met andere woorden de vraag blijft of zij  niet in haar beleid het streven naar optimale veiligheid heeft vervangen door het streven naar maximale veiligheid (zoals opsluiting); zelfs als bij dat streven rechtsregels overtreden worden,   zoals het uitstellen van een tijdige en ook inhoudelijk adequate behandeling met als enigste doel betrokkenen “zolang mogelijk van de straat te houden”. Zij zet , om dat doel te bereiken, het belang van een adequate behandeling op de tweede plaats. Indirect zal zij met dit beleid de veiligheid van de samenleving op de langere termijn niet bevorderen, maar schaden.

 Dit klemt temeer daar een elegante oplossing van deze problematiek binnen bereik ligt: schaf het uitstel van behandeling in een FPC af en voer (het intramurale deel van) de behandeling uit zoveel mogelijk binnen de gevangenis en dit in de medisch gezien juiste volgorde: eerst FPC, zo snel als medisch mogelijk gevolgd door PPC. Daarmee wordt de behandeling effectiever in de borging van de veiligheid en wordt tevens alle rechtsongelijkheid van TBS-gestelden uit de wereld geholpen.

 

Voor reacties: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.. Voor een samenvatting van deze tekst zie www.forumtbs.nl

18 december 2013

Victor Verstappen

 

 

 



1 Hermans, H.E.G.M. en Buijsen, M.A.J.M. Recht en gezondheidszorg. Elsevier Gezondheidszorg, 4dedruk. Samson, Alphen aan de Rijn, 2010 p. 51-57.

[2] Zie ook W. Nieboer,  Aegroto suum, de toerekening in het strafrecht bij psychische afwijkingen, (diss. Groningen). Meppel: Boom 1970. p. 216 e.v.  6. Afsluiting, 3d):  “Een psychisch afwijkend verklaarde verdachte heeft recht op een onmiddellijk aanvangende adequate medische behandeling en de overheid is verplicht een dergelijke behandeling mogelijk te maken (hiermee is in strijd de tenuitvoerlegging van de ter beschikking stelling na expiratie van de gevangenisstraf)… Recht en plicht zijn hier gebaseerd op art. 37 lid 2 en 3 Sr”.                                         

[3] Zie NvT bij het schrappen van de Fokkens regeling.

[4] L.M. Bergman en B.S.J. Wartna, Recidive TBS 1974-2006. Ontwikkelingen in de strafrechtelijke recidive van ex-terbeschikkinggestelden:een tussenverslag, Den Haag: WODC Factsheets 2010-4, september 2010

[5] Adequate zorg is zorg waarmee tijdig gestart wordt en die is toegesneden op de ernst en gecompliceerdheid van de psychische (en evt. somatische) problematiek. Dat is in het geval van de TBS-gestelde per definitie behandeling in een FPC.

[6] Ik probeer

hiermee Het verschil uitleggen tussen systematisch en casuїstisch

[7] Bedoeld zijn degenen die vóór de start van de PPC’s in PI’s met bijzondere behandelafdelingen verbleven, te weten de Forensische Observatie- en Begeleidingsafdeling (FOBA), de Individuele Begeleidingsafdeling (IBA), de Beveiligde IBA (BIBA) en de Bijzondere Zorg Afdeling (BZA). De PPC’s werden dan ook opgericht om eenheid te brengen in het versnipperde behandelaanbod tijdens de gevangenisstraf. De rol die de PPC’s spelen in de behandeling van TBS-gestelden werd later toegevoegd in voorbereiding op het schrappen van de Fokkens regeling.

[8] E.J. Hofstee “Van TBR naar TBS” p. 13 : Art. 37 lid 3 oud Sr: “(…) dan kan de rechter (….) bevelen dat hij (de verdachte EH) ter beschikking van de Regeering zal worden gesteld, teneinde van harentwege te worden verpleegd, doch alleen indien het belang der openbare orde dat bepaaldelijk vordert”.

[9] Uiteraard uitgezonderd de ziekte of stoornis die in enige causale relatie staat tot het delict. Maar ook die kan “uitblussen”, zoals bijvoorbeeld het delinkwente gedrag bij de adolescente first offender.

[10] E.B.J. Hofstee, TBR en TBS, De TBR in rechtshistorisch perspectief, (diss. Nijmegen). Arnhem: Gouda Quint bv, 1987. p. 151:  “ Daarnaast zou nog kunnen worden aangevoerd, dat, wanneer bij de volgorde eerst straf dan tbr binnen de tenuitvoerlegging van de straf de grondslag van de TBR (d.i. de gevaarlijkheid des daders) is opgeheven (bijv. door ouderdom, ziekte of anderszins), daarmee eigenlijk de rechtmatigheid van executie der TBR vervallen is”.

[11] Een verlengingszitting heeft in deze context een betekenis die omgekeerd is aan de “gewone” verlengingszitting. De risicotaxatie moet namelijk in deze setting het gevaar aantonen en niet, zoals in de reguliere zitting, het gevaar uitsluiten. De consequentie van beide is gelijk: geen of zeer gering risico moet leiden tot in vrijheidsstelling.

[12] T.J. Lindhout, M.J.F. van der Wolf en H.J.C. van Marle,” De Fokkensregeling is dood; leve de Fokkensregeling”,Sancties 2011, p. 347-57.

[13]  art.1 Grondwet: “Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst…….of op welke grond dan ook, is niet toegestaan”.

[14] art. 22: “1. De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid. 2… 3….”.

[15] Ook de ombudsman heeft zich daarover in negatieve zin uitgesproken.

[16] Onder ‘foltering’ zou bijvoorbeeld kunnen worden verstaan de verlaging van de temperatuur in de cel tot 17 ⁰ C, zoals voorgesteld door de vice fractievoorzitter van de PVV, maar mogelijk kan er ook onder verstaan worden het uitstellen van een geїndiceerde en gekwalificeerde medische behandeling tot na de datum van VI om een oneigenlijke reden.