Deel 4: Het schrappen van de Fokkens regeling: een gemiste kans

Venlo, 20-12-2013

 

 

Inhoud.

a. Voorgeschiedenis van de Fokkens regeling.                                                                                                                   b. Belangrijkste motieven achter het besluit de Fokkens regeling te schrappen.                                                                                                                                                                                  c. Samenvatting van de commentaren  van de adviesorganen met aanvullingen.                                                                                   d. Het voorstel van GGZ Nederland met een aanvulling daarop: de dubbele omkering                                                                                                                                                                                                       e. Heimelijke motieven achter het besluit tot schrappen ?                                                                                                                           f. Het convenant tussen Ministerie van Veiligheid en Justitie(V&J) en o.a.GGZ Nederland.                                                                                                              g. Gemiste kans

a. Voorgeschiedenis van de Fokkens regeling.

Vóór 1997 werden psychisch zieke/gestoorde plegers van een ernstig zeden- en/of geweldsdelict na afloop van twee derde van de gevangenisstraf, ter behandeling overgeplaatst naar een TBS-kliniek. De behandeling diende, zoals ook nu, een tweeledig doel: de beveiliging van de samenleving als effect van de behandeling en, secundair daaraan, het voldoen aan de zorgplicht die geldt ten aanzien van elke zieke. In 1993 adviseerde de commissie Fokkens[1] de volgorde van gevangenisstraf en behandeling “om te keren”, met dien verstande dat de tijd doorgebracht in de TBS-kliniek meetelde als straftijd. De ratio was dat uitstel van behandeling het effect ernstig benadeelt. Een goede oplossing voor het probleem bij langgestraften wat te doen met de resterende straftijd, was destijds niet voorhanden. De commissie vreesde terugval door terugplaatsing in een PI en pleitte daarom (bij gebrek aan beter) voor een gratie-regeling. Men zou dit een zwaktebod kunnen noemen. Alleen via het verlenen van gratie zou het mogelijk zijn het intramurale deel van de behandeling goed te laten aansluiten op start van  resocialisatie activiteiten in voorbereiding op terugkeer in de samenleving.  

In 1997 werd met het ingaan van de zogenaamde Fokkens regeling een “tussenoplossing” geboden: opneming in een TBS-kliniek na executie van een derde van de gevangenisstraf. Enerzijds probeerde men daarmee tegemoet te komen aan de medische ratio achter het advies van de commissie Fokkens om de behandeling vroeg te starten,  anderzijds was er een ernstig capaciteitsprobleem en vreesde men, zij het tijdelijk, een verergering van dit probleem door de te verwachten sterke toename van het aantal nieuw opleggingen van TBS. Een voordeel van de tussenoplossing was dat de aansluiting tussen behandeling en resocialisatie-activiteiten ten opzichte van het oorspronkelijke advies, enigszins  verbeterd werd. Aanhoudende capaciteitsproblemen waren er trouwens de oorzaak van dat van de Fokkens regeling weinig gebruik gemaakt kon worden.

In 2009 werd, na een in media en parlement opgeblazen incident rond overplaatsing van een TBS gestelde na ommekomst van een derde van de gevangenisstraf  ingevolge de Fokkens regeling, bliksemsnel de Fokkens regeling bevroren, en zeer kort daarna geschrapt. Dit op grond van 1. medisch getinte motieven, 2. de mening dat de Fokkens regeling geen recht doet aan de vergeldingsbehoefte van de slachtoffers, 3. de (vermeende VV) bevoordeling van de TBS-gestelde  ten opzichte van de kortgestrafte en de ‘gewone’gestrafte. en  4. de veronderstelling dat de regeling onvoldoende tegemoet komt aan de veiligheidswensen van de samenleving.

b. Motivering in hoofdlijnen van het besluit de Fokkens regeling te schrappen.

1. Medisch getinte motieven.                                                                                                                                                                                                                                                                                                 In de Nota van Toelichting (NvT) bij het besluit de Fokkens regeling te schrappen wordt verondersteld  dat met de openstelling van het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) voor TBS-gestelden tijdens de gevangenisstraf voldaan wordt aan de ratio achter de Fokkens regeling (die op haar beurt slechts ten dele voldeed aan de ratio achter het advies van de commissie Fokkens  VV[2]). Dit op grond van de mening dat  a. het PPC equivalente zorg biedt aan de TBS-gestelde, “met als uitgangspunt de detentiesituatie”,         b. het PPC tijdens de detentie “passende zorg” biedt aan TBS-gestelden, c. met het schrappen van de Fokkens regeling wordt voldaan aan de wens tot een goede aansluiting van het intra- en extramurale (resocialisatie) deel van de behandeling. Tenslotte heeft het PPC  heeft de bedoeling V&J “minder afhankelijk te maken van de capaciteit”.                                                                                                              

2. De NvT: ”de Fokkens regeling houdt te weinig rekening met de vergeldingsbehoefte vanuit de maatschappij. De verkorting van de gevangenisstraf met 1/3de  als gevolg van de Fokkens regeling vergroot de kloof tussen de maatschappelijke opvatting over het vergeldingsdoel en de feitelijke executie van de gevangenisstraf”. Met het doorhalen van de regeling wordt de straftijd weer volledig (dwz. tot de VI-datum) uitgezeten in een gevangenis.                                                                                                                                                                               

3. De Fokkens regeling betekent een bevoordeling van TBS-gestelden.  De TBS-gestelde heeft tov. de “gewone” gestrafte het voordeel dat hij minder lang in de PI verblijft en hij na 1/3de van de gevangenisstraf naar een behandelkliniek wordt overgeplaatst.  Ook heeft de langgestrafte tov. de korter gestrafte TBS-gestelde het voordeel dat hij in jaren gevangenisstraf meer gekort wordt.                                                           

4. De Fokkens regeling is niet meer in overeenstemming met de toegenomen veiligheidswensen van de samenleving.

c. Samenvatting van commentaren van de adviesorganen met aanvullingen.

 

1. Medische motieven

Ad 1 a. Over de equivalentie van de zorg voor de TBS-gestelden.                                                                                     De RvS, GGz-Ned, de RSJ, NOvA, de RvR, het CvPG’s en het NIFP[3] zien de PPC’s niet als adequaat alternatief voor de behandeling van TBS-gestelden in een FPC of hebben twijfels over de zorg die een PPC kan bieden. De behandeling heeft slechts een facultatief karakter[4], en is met name (slechts) gericht op stabilisatie en verder op motivatie , de verbetering van de psychische toestand en het algeheel functioneren van de veroordeelde. Plaatsing voor één jaar ([5]?), slechts bij hoge uitzondering te verlengen, wordt onvoldoende geacht voor een optimale behandeling van de (langgestrafte) TBS-gestelde. Immers het betreft  psychiatrische patiënten die een hoog niveau van zorg behoeven (GGZ Ned). Het aantal uren psychiatrie in PPC is uiterst summier waardoor het onmogelijk is uitvoering te geven aan het equivalentiebeginsel, dat inhoudt dat de psychiatrische zorg binnen de justitiële inrichtingen zoveel mogelijk  van gelijk niveau dient te zijn als de zorg in de GGZ.                                                                                                                                                    De toevoeging “met als uitgangspunt de detentiesituatie” wordt, zo lijkt het, door V&J gezien als een vrijbrief voor het inrichten van de zorg in detentie op de manier dier haar goeddunkt. Terwijl het zo zou moeten zijn dat de zorg voor de justitiabele  alleen dán niet in zijn volle vorm uitgeoefend kan worden als de detentiesituatie dat dwingend voorschrijft. Zo zal de vrije artsenkeuze tijdens het verblijf in detentie (zeer) beperkt zijn.  

Er wordt eerst voldaan zijn aan de ratio achter de Fokkens regeling en de ratio achter het advies van de commissie Fokkens (1993) als de behandeling in de TBS-kliniek (het FPC) tijdens de straftijd wordt uitgevoerd. De ratio was dat de gecombineerd gestrafte een behandeling van het vereiste niveau, dus in een TBS-kliniek, zou ontvangen. Als in 1993 (rapportage van de commissie Fokkens) of in 1997 (ingangsjaar van de Fokkensregeling) het PPC had bestaan, was zeer waarschijnlijk voorgesteld om de intramurale behandeling in de (‘behandelgevangenis type’ -vv-) TBS-kliniek te doen volgen door overplaatsing naar een gevangenis met PPC-faciliteit tot rond de VI datum. Dit om verlies van therapie-effect door terugplaatsing naar een “gewone” PI te voorkomen. Door gebrek  aan alternatieven was men destijds bij langgestraften  gedwongen te adviseren tot gratieverlening; een zwaktebod. Dat alternatief is er nu wel in de vorm van het PPC.                                                                                                                                                    

Ad 1 b. Als het PPC in feite als alternatief gezien wordt van het FPC (er wordt naar het oordeel van de overheid “passende zorg” [6] geboden), en deze zorg kennelijk goed genoeg geacht wordt voor behandeling van TBS-gestelden gedurende de (gehele ?) straftijd, is dan het FPC niet mosterd na de maaltijd ? Welke functie heeft het FPC dan nog ? Als uit het onderzoek Pro Justitia door het NIFP blijkt dat er een medische indicatie bestaat voor een behandeling in een FPC, dan is uiteraard uitsluitend zorg in een FPC ‘passend’, en is de zorg in het PPC niet passend en dus geen alternatief.                                                                                                                                                                            

Ad 1c. A lleen door de volgorde  van gevangenisstraf en behandeling in een FPC ‘om te keren’ kan volledig worden voldaan aan de genoemde ratio. Als de volgorde PPC → FPC binnen de gevangenis ook wordt omgekeerd is daarnaast ook goed te voldoen aan de wens tot aansluiting met de resocialisatie-activiteiten. Dit tenzij de overheid niet bereid is om het mogelijk te maken de start van activiteiten in voorbereiding op terugkeer in de maatschappij te laten aansluiten aan het verblijf in een PPC. Indien dat niet mogelijk blijft, zullen deze patiënt/delinquenten ter voorbereiding op terugkeer in de samenleving teruggeplaatst  moeten worden naar het FPC. Tot slot zij opgemerkt dat er  hoe ook dan geen enkele reden is  om, ter voorkoming van ‘het missen van de aansluiting ’, dan maar de hele behandeling in een FPC met 1/3de van de straftijd uit te stellen.                                                                                                                                                                 

Ad 1d. De overheid kan maar op een manier minder afhankelijk worden van de capaciteit en dat is door het FPC verder te marginaliseren en nog sterker dan thans er aan bij te dragen dat het aantal nieuw-opleggingen afneemt. Dit is een argument te meer om aan te nemen dat de overheid metterdaad de  bedoeling heeft het PPC te gebruiken als vervanger van het FPC. Dat betekent dat, zoals zo vaak, kwaliteitsoverwegingen van minder belang worden geacht. Als het woord ‘capaciteit’ evenwel foutief gebruikt is, en bijvoorbeeld in feite gesproken wordt over ‘zorgcapaciteit’ of ‘beddenaantal’ of ‘zorgvraag’, dan kan de overheid alleen maar minder afhankelijk worden door steeds te zorgen dat het zorgaanbod de zorgvraag voorblijft, of tenminste op de voet volgt.

2. Kloof tussen het vergeldingsdoel en de executie van de gevangenisstraf.

Naar aanleiding van de vaststelling dat de kloof tussen de maatschappelijke opvatting over het vergeldingsdoel   van de gevangenisstraf groter wordt, wijzen Nova en RvS er op dat de toenemend lange duur van de vrijheidsbeneming benevens de onzekere duur van deze vrijheidsbeneming na de gevangenisstraf als ‘zwaar’ wordt ervaren. ”Ook aan dit gegeven zou bij de weging van de maatschappelijke opvattingen gewicht moeten worden toegekend”.   De adviesorganen raken hier aan een belangrijk punt. Er kan met name door de overheid pas aan die weging toegekomen worden als de overheid de mening van de adviesorganen dat hier sprake is van een ernstige strafverzwaring deelt. Dat is overigens ook een die gedeeld wordt door alle betrokken gremia, te weten uiteraard de gecombineerd gestraften, maar ook de advocatuur, de rechterlijke macht en het NIFP. Alle betrokkenen vermijden in toenemende mate het opleggen  van TBS. Indien de overheid eveneens zou erkennen wat voor de hand ligt, namelijk dat er sprake is van een mogelijk onrechtmatige strafverzwaring, opent zich voor de overheid de mogelijkheid om de mensen in het land dat zij besturen uit te leggen dat Paul S.de W. destijds terecht werd overgeplaatst na 1/3de van zijn straftijd, en dat hij daarmee geen onrechtmatig voordeel genoot, en zeker niet minder gestraft werd dan andere criminelen. Al was het alleen al niet omdat zijn straf in ieder geval werd voortgezet tot de VI datum. Omdat de overheid alleen het verblijf in een FPC na executie van de gevangenisstraf niet wenst te zien als straf, kan zij niet aan de samenleving uitleggen dat er geen sprake is van strafvermindering ingeval de TBS-gestelde na 1/3devan zijn straftijd de gevangenis verlaat om te worden  overgeplaatst naar een FPC. Zo loopt zij zichzelf op het gebied van informatie van de samenleving voor de voeten. Indien zij de samenleving adequaat hierover zou informeren, zou de genoemde kloof afnemen en zou ook mogelijk zijn geweest het protest van de slachtoffers van Paul S van W tegen de (ogenschijnlijke) vermindering van de straf te ontkrachten.        

3. Bevoordeling van TBS-gestelden.

 Volgens de RvS ziet de vergelding op de duur van de vrijheidsstraf en niet op de duur van de behandeling. Vanuit dat oogpunt is er dus in de casus S. van W. geen sprake van strafvermindering[7].  Bij handhaven van de Fokkens regeling blijft de duur van de vrijheidsstraf dezelfde, met dien verstande dat de locatie van de plaats waar de vrijheidsstraf wordt uitgevoerd een andere is; namelijk het FPC. Ook in dit opzicht is er dus geen sprake  van bevoordeling van de TBS-gestelde. Uit het oogpunt van gezondheidsrecht is er evenwel sprake van een sterke benadeling. Equivalentie van behandeling betekent dat bij iedere justitiabele, TBS gesteld of  niet, zoals bij iedere Nederlandse ingezetene, een adequate behandeling op het juiste niveau (naar het oordeel van de behandelend arts) gestart dient te worden in aansluiting aan het in kaart brengen van de lichamelijke en/of psychische problematiek. Daarvan is bij de TBS-gestelde geen sprake; hij krijgt pas een ècht  ‘passende’ behandeling ‘op het gewenste niveau’ na executie van de gevangenisstraf, zonder dat op dat ogenblik wordt nagegaan of er nog sprake is van gevaar voor de samenleving. Het argument van de bevoordeling van de TBS-gestelde wordt dus ten onrechte gebruikt om het schrappen van de  Fokkens regeling te rechtvaardigen. In het voorstel tot de dubbele omkering verdwijnt elke gezondheids- of strafrechtelijke rechtsongelijkheid, of die nu ten voordele of ten nadele van de TBS-gestelde strekt.

4. De Fokkens regeling en de toegenomen veiligheidswensen.                                                                                     

Toename van de maatschappelijke wensen op het gebied van veiligheid kan vier oorzaken hebben:  1. Het gevaar neemt daadwerkelijk volgens objectieve normen toe.  Daarvan is echter geen sprake; de incidentie van met name geweldsdelicten neemt af. 2. De wensen op het gebied van veiligheid nemen toe omdat media en politiek door hun benadering van met name het TBS-stelsel angst induceren. 3. Er is geen sprake van toename van angstgevoelens en dus veiligheidswensen van de gehele bevolking, maar slechts bij dat gedeelte dat zijn oren laat hangen naar de uitingen van de Telegraaf en het meer populistische deel van bevolking en politiek. 4. V&J kan, door passief mee te gaan of actief deel te nemen aan angstinductie haar opvattingen over hoe de veiligheid geborgd moet worden in daadwerkelijk beleid realiseren; namelijk door toename van repressie.

Opnieuw blijkt hier het gevolg van een gebrek aan objectieve informatie over de ins en outs van de TBS. Een goed geїnformeerde  bevolking (bijvoorbeeld de nabestaanden in de zaak S. van W.) had ingezien dat er tijdens de Fokkens regeling geen sprake was van strafverkorting, en dat (ook) dit argument onbruikbaar is om het schrappen te rechtvaardigen.

Samenvattend moge het duidelijk zijn dat de in de NvT gebruikte argumentatie tot het doorhalen van de Fokkens regeling, uitermate zwak onderbouwd is, maar dat blijkbaar alle deskundigheid die in Nederland aanwezig is, niet voldoende is om het ministerie van Veiligheid en Justitie ervan te overtuigen dat zij haar beleid en haar prioriteitstelling zelf ter discussie moet durven stellen of  anders moet laten stellen(zie hiervoor ook de tekst onder e.).  Door het schrappen  van de regeling  wordt de repressieve kant in het overheidsbeleid zeer versterkt waarmee, naar te vrezen valt, de veiligheid van de samenleving niet gediend is, integendeel. Alternatieven zijn denkbaar:

d. Het voorstel van GGZ Nederland en een aanvulling  daarop. De dubbele omkering.

Het voorstel  van GGZ Nederland was om weliswaar de Fokkens regeling te schrappen maar van die gelegenheid gebruik te maken om het advies van de commissie Fokkens thans, nu de capaciteitsproblemen van destijds verkeerd zijn in een capaciteitsoverschot, op te volgen. Dat zou betekenen dat de volgorde straf en behandeling ‘omgekeerd’ wordt, eerst behandeling in een TBS-kliniek[8](FPC) en daarna bij langgestraften het uitzitten van de rest van de gevangenisstraf. In feite is er natuurlijk geen sprake van een omkering, maar van gelijktijdigheid van executie van straf en behandeling, gezien het gegeven dat de tijd doorgebracht in de TBS-kliniek meegeteld wordt als straftijd. Als  deze ‘omkering’ werkelijkheid zou worden dan ligt het voor de hand om ook de volgorde PPC → FPC om te keren. Dit omdat deze volgorde past in het en beproefde en meest succesvol gebleken medische model: eerst intensief behandelen, zoveel mogelijk specifiek gericht op de gediagnosticeerde problemen;  daarna, indien medisch gezien mogelijk, op minder intensief niveau als een soort  nabehandeling. Met deze (na)behandeling in een PPC wordt op een elegante wijze het probleem van de commissie Fokkens[9] alsnog opgelost: verlies van behandeleffect wordt op z’n minst voorkomen, alsmede het ontstaan van nieuwe schade als gevolg van terugplaatsing naar een ‘gewone’ PI. Als nu ook nog de PPC’s in staat gesteld worden een rol te spelen bij resocialisatie-activiteiten is daarmee een ideale behandelsituatie ontstaan, terwijl het strafrecht eveneens volledig tot gelding komt.

 Alle bovengenoemde argumenten die gebruikt worden om het schrappen van Fokkens regeling te legitimeren, zijn ontkracht. Ook de uitzonderingen op de zgn. 2/3de regel[10], die het de rechter mogelijk maken bij manifeste of dreigende schade vroeger de TBS-gestelde over te plaatsen, zijn overbodig geworden.

De staatssecretaris is van mening dat het schrappen van de regeling geen gevolgen zal hebben voor de straftoemeting. De RvS betwijfelt dit op goede gronden. De RvS is van mening dat de steeds toenemende afkeer cq impopulariteit van de TBS nog zal toenemen omdat de toch al onevenredig lange vrijheidsbeneming  nog met 1/3de van de straftijd verlengd wordt. Dus zal de neiging nog versterkt worden om  in plaats van TBS een langere gevangenisstraf op te leggen. Als de bovenbeschreven dubbele omkering (die het  beste van twee werelden in zich verenigt) evenwel realiteit zou zijn, zal dit met zekerheid gevolgen hebben voor de straftoemeting: de rechter zal, verlost van het spagaat tussen de neiging de  behandeling niet te lang uit te stellen en de drang om niet te kort te straffen, zich vrijer voelen het gecombineerde vonnis op te leggen omdat hij de zekerheid heeft dat de TBS-kandidaat tijdig de  behandeling krijgt die hij nodig heeft. Ook de andere betrokken gremia zullen hun vermijdgedrag staken omdat de vrijheidsbeneming na de straf sterk beperkt wordt. De rechtstreeks betrokkene zal veel vaker dan nu bereid zijn aan de behandeling mee te werken en het weigeren van behandeling en onderzoek zal beperkt worden tot bijvoorbeeld de narcistische persoonlijkheidsgestoorden. De gevolgen voor de veiligheid van de samenleving zijn eveneens evident: de behandeling zal èn effectiever worden èn korter kunnen duren. Daarnaast zal, en dat is mogelijk van nog meer belang voor de veiligheid van de samenleving, zullen er (veel) minder gestoorde criminelen zonder behandeling vrijkomen.

e. Een heimelijke motief ?

De argumenten die V&J hanteert bij het besluit de Fokkens regeling op te doeken zijn zó zwak en de bereidheid een adequaat antwoord te geven op de adviezen van alle adviesorganen zo gering dat de mogelijkheid van het bestaan van een geheel ander scenario zich opdringt, Zo lijkt het niet onmogelijk dat er ten departemente, en met name bij de administratie, zó weinig vertrouwen  bestaat in de effecten van een goede behandeling dat men de beveiliging eerst en vooral zoekt in maximering van de opsluiting; het ‘zolang mogelijk van de straat houden’. Staatssecretaris Teeven merkt ten aanzien op dat “die binnen is, niet buiten kan zijn “. Het lijkt er op dat dit uitstel overwegend ten doel heeft de vrijheidsbeneming na de gevangenisstraf voort te kunnen zetten. Dat in deze periode ook  nog behandeld wordt is meegenomen. In dat scenario wordt  uitstel van behandeling in een FPC bewust gehandhaafd en het uitstel zal, ingevolge het schrappen van de Fokkens regeling, zelfs verlengd wordt. Door de gecombineerd ge vonniste niet adequaat te behandelen tijdens de gevangenisstraf zal immers de gevaarlijkheid over het algemeen toenemen en kan de betrokkene dus niet in vrijheid gesteld worden[11]. Een schoolvoorbeeld van een self fulfilling prophecy. Mogelijk is dit het echte motief achter het besluit. Indien dit de waarheid is, dan is de legitimiteit van deze handelwijze zeer betwijfelbaar. Dat dit ook door de overheid zo ervaren wordt, moge blijken uit het gegeven dat de executievolgorde door inhoudsdeskundigen als met de overheid niet bespreekbaar gezien wordt. Daarnaast zijn er ook andere tekenen die er op wijzen dat dit motief verheimelijkt wordt. Ik kom hier in  een ander kader nader op terug.                                                                                                                                                                

De executievolgorde is mijns inziens de belangrijkste oorzaak van de daling van het aantal nieuw-aanmeldingen voor TBS en dus voor het toenemend aantal onbehandelden in de samenleving te zijner tijd. Door de executievolgorde te herstellen tot het niveau van voor 1997 en dit fenomeen buiten elke discussie te houden neemt de overheid bewust een veiligheidsrisico, waarvan de samenleving de dupe zal worden. De overheid heeft deze executievolgorde nodig om haar repressieve en passief preventieve beleid[12] ongestoord en onbesproken te kunnen maximeren. Een beleid dat heeft geleid tot een verlenging van de vrijheidsbeneming na de gevangenisstraf met gemiddeld 10½ jaar, en daarnaast tot een onaanvaardbaar lange duur van de rechtsonzekerheid ten aanzien van de duur van deze vrijheidsbeneming in longstay.  Zij ontneemt de TBS-gestelde, en uitsluitend de TBS-gestelde, op die manier de mogelijkheid om zijn schuld aan de samenleving te delgen middels loyale medewerking aan zijn behandeling. Naast het gegeven dat de overheid waarschijnlijk bewust de rol van de behandeling volledig achterstelt bij haar eigen opvattingen over de borging  van de veiligheid, en ook het humanitaire belang van de behandeling van de individuele zieke mens grotendeel negeert, is het zeer de vraag of dit beleid legitiem is naar nationale en internationale rechtsregels[13]. Het schrappen van de Fokkens regeling is het duidelijkste symptoom  van het gevolgde beleid.

 f. Het convenant tussen het Ministerie van  Veiligheid en Justitie (V&J) en o.a. GGZ Nederland.

Op 3 april 2013 werd het Meerjaren-convenant Forensische Zorg gesloten tussen GGZ Nederland, de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland en het Ministerie van Veiligheid en Justitie. In dit convenant wordt vastgelegd dat gestreefd wordt naar het geleidelijk terugbrengen van de behandelduur in het FPC tot 8 jaar in 2017. Wat uit dit convenant in mijn ogen vooral duidelijk wordt is dat GGZ-Nederland teruggekomen is van haar oorspronkelijke advies. Weliswaar is het de bedoeling dat partijen zich zullen inspannen om de vrijheidsbeneming in het FPC na de gevangenisstraf terug te brengen tot gemiddeld 8 jaar, maar de inspanningsverplichting van de behandelaars is van een geheel andere orde dan die van V&J. Het ministerie  blijft immers via de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) aan de knoppen draaien en zal altijd het argument van de veiligheid hanteren op het moment dat haar dat gewenst voorkomt. Ook als van een gunstig effect van haar maatregel op de veiligheid van de samenleving niets gebleken is. In een korte briefwisseling tussen (de voorzitter van) GGZ Nederland en de auteur wordt aangegeven dat de door mij bekritiseerde executievolgorde  vaker onderwerp van gesprek is geweest, “zowel binnen de sector zelf alsook binnen het Ministerie van Veiligheid en Justitie en aanpalende domeinen. Op dit moment ziet GGZ Nederland echter geen aanleiding om deze discussie te heropenen. Temeer ook omdat dit een brede maatschappelijke discussie behoeft waar op dit moment geen draag vlak voor is”. Mijn antwoord daarop is dat die discussie ook niet kán ontstaan omdat met name de overheid zo’n discussie allerminst wenst en daarom de samenleving noodzakelijke informatie onthoudt. De term ‘draagvlak’ wordt trouwens ook gebruikt door media en politieke partijen om zich gerechtigd te voelen dit heikele onderwerp te laten rusten, ook als men ervan overtuigd is dat uitstel van behandeling in een FPC ongewenst en niet gerechtvaardigd is. Mijn vraag naar de reden van deze verandering van standpunt, werd niet beantwoord. De conclusie is dat de overheid helaas gelukt is het feitelijke doel van het convenant op deze (slinkse)wijze te bereiken en zo het openen  van de discussie over de executievolgorde dicht te spijkeren.

g. Gemiste kans.

Het moge duidelijk zijn dat in 2010 naar mijn mening een gouden kans gemist is om het verstoorde evenwicht tussen straf en behandeling te herstellen; een evenwicht dat vereist is om een optimaal resultaat te bereiken op het gebied van veiligheid. Ik was oprecht verheugd toen bleek dat GGZ Nederland in haaroorspronkelijk advies pleitte voor opvolging van het advies  van de commissie Fokkens de volgorde van gevangenisstraf en behandeling “om te keren”. Opvolgen van dit advies zou automatisch hebben geleid tot omkering van de volgorde PPC→FPC, omdat de volgorde FPC→PPC volledig past in het oeroude en beproefde medisch model en bovendien op deze wijze schade bij langgestraften voorkomen wordt. Omkeringen die op vele terreinen winst[14] opleveren, niet in het minste voor de veiligheid van de samenleving. Een samenleving die niet gediend is met de heilloze strafverzwaring die ontstaat  door het schrappen van de Fokkens regeling. Helaas is GGZ Nederland om mij onbekende reden teruggekomen van het oorspronkelijke advies, dat wellicht zou hebben geleid tot de noodzakelijke maatschappelijke discussie over het overheidsbeleid ten aanzien van het TBS-stelsel.

V. Verstappen

 Venlo, 20 december  2013.

Voor overige bijdragen in de serie over aspecten van het Nederlandse TBS-stelsel ziewww.tbsenrecht.nl.

U kunt reageren op Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.