TBS en zo meer

Website beheer

Inloggen alleen voor beheerders van deze website.

Kanttekeningen bij de petitie van 17 oktober 2017 n.a.v. de moord op Anne Faber

 Open brief aan M. Rutte, Premier, S. Dekker, Minister van V&J, B. Bruins, Minister van volksgezondheid, F.Grapperhaus, Minister van V&J, P. Blokhuis, Staatssecretaris van volksgezondheid

 Venlo, 23 oktober 2017

 Kanttekeningen bij de petitie van 17 oktober 2017 n.a.v. de moord op Anne Faber.

De, inmiddels door meer dan 400.000 personen ondertekende, petitie eist van de overheid diepgaand onderzoek naar de gang van zaken in de forensisch psychiatrische kliniek Altrecht. Een onderzoek dat ook bij alle soortgelijke voorvallen in het verleden plaatsvond en waarover naderhand nooit meer iets vernomen werd. In déze petitie werd evenwel, en voor het eerst, ook gesteld dat “het rechtssyteem faalt”. Er wordt dus expliciet een beschuldigende vinger uitgestoken naar het ministerie van Veiligheid en Justitie (V&J straks J&V). In feite wordt hiermee gesteld dat naar de mening van de ondertekenaars de veiligheid van de samenleving door de overheid onvoldoende geborgd wordt. Hierop heeft de minister van V&J inmiddels ook reeds gereageerd: in de brief van de minister aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 13 oktober 2017 wordt onder meer gesteld dat er pogingen worden ondernomen om het de rechter gemakkelijker te maken tbs op te leggen, ook indien de verdachte niet meewerkt aan het onderzoek in het Pieter Baan Centrum (PBC). Ook worden volgens de minister pogingen ondernomen om de weigeraars tijdens de observatieperiode alsnog te bewegen tot medewerking. Het doel is uiteraard om meer (psychisch gestoorde) daders een adequate medische behandeling te geven in een tbs-kliniek. De bedoeling is uiteraard op deze wijze de veiligheid van de samenleving te vergroten in de veronderstelling dat een goed behandelde dader minder snel in zijn fout(en) terugvalt. Dit beleid zal vastgelegd worden in de wet op de Forensische Zorg die in jan 2018 in de Eerste Kamer in behandeling genomen wordt. De lange duur van het overleg over deze taktiek wijst er op dat e.e.a. nogal moeizaam verloopt en betwijfelbaar resultaat heeft. 

Een andere poging om te bereiken dat een groter aantal gestoorde daders worden behandeld, faalde. In 2013 werd in Lunteren op initiatief van V&J (en GGz Nederland) de ‘werkconferentie Recht en TBS’ gehouden. Een conferentie waaraan alle betrokken gremia deelnamen. Een van de belangrijkste doelstellingen van deze werkconferentie was het aantal behandelden op te voeren door middel van het verlagen van de behandelduur in de tbs-kliniek. De behandelingen in een tbs-kliniek  worden in Nederland, als enigste land ter wereld, immers uitgevoerd na het uitzitten van (2/3de van)  de gevangenisstraf. Men verwachtte met een vermindering van de behandelduur (en dus van de opsluiting na de straf) een afname van het verzet tegen het opleggen van tbs alsmede van het vermijdgedrag van advocaten en meerdere rechters. Door meerdere professionals in dit veld wordt de verlenging van de vrijheidsbeneming na de straf immers gezien als een niet-gerechtvaardigde strafverzwaring. Ondank het feit dat de gemiddelde behandelduur inmiddels in ijltempo werd teruggebracht van 10 à 11 jaar tot nu 8 jaar, steeg het aantal nieuw opleggingen niet, integendeel, de al jaren bestaande afname zette zich ook in 2015 en 2016 voort. Gesteld kan dus worden dat, ondanks het realiseren van de in het zogenaamde manifest van Lunteren voorgestelde verbeteringen in het systeem, de doelstelling om de veiligheid te bevorderen door meer delinquenten adequaat te behandelen, niet gehaald is. De schijnbare rust op het tbs-front, waarover V&J zo blij was had dus de rust ‘van de koele meren des doods’(Frederik van Eeden 1900), is nu dus op ruwe wijze doorbroken. Het wordt inmiddels tijd dat ook de overheid erkent dat de belangrijkste oorzaak van het weigerprobleem gelegen is in de verlenging van de vrijheidsbeneming na de gevangenisstraf en de onzekere duur daarvan.

Wat ligt, gezien de aanhoudende  problematiek rond de tbs en dus de veiligheid meer voor de hand dan dat er gekeken wordt naar alternatieve mogelijkheden. Die mogelijkheden zijn er, als men de Nederlandse benadering van de psychisch gestoorde pleger van ernstige zeden- en/of geweldsdelicten vergelijkt met de situatie in de landen om ons heen Dan vallen twee verschillen op:

1.In alle ons omringende landen wordt de straf (de vrijheidsbeneming) gelijktijdig uitgevoerd met de behandeling (in een psychiatrische instelling), of er wordt een gerichte behandeling gegeven tijdens de gevangenisstraf. In ieder geval wordt een adequate behandeling  dus veel eerder gestart. Daarmee wordt deze behandeling ook veel effectiever. Blijkbaar wordt het nergens nodig geoordeeld eerst te straffen en eerst daarna te behandelen; integendeel men onderschrijft het nut van een spoedige behandeling (uiteraard onder opsluiting) en geeft daaraan voorrang boven een gevangenisstraf (zonder behandeling). De tijd, doorgebracht in de kliniek, wordt meegeteld als straftijd. Mijn voorstel is om dit buitenlandse voorbeeld te volgen. Te verwachten is dat dan het verzet tegen het opleggen van tbs, of het vermijden daarvan, geheel of grotendeels zal verdwijnen. Te verwachten is ook dat het resultaat van de behandeling voor de veiligheid van de samenleving zal verbeteren.

2. In meerdere landen (o.a. Duitsland en Noorwegen – Breivik- ) heeft de rechter de mogelijkheid om bij het vonnis tevens vast te stellen, bij -bewezen- gevaarlijke daders, dat de betrokkene na het uitzitten van de straf niet vrijkomt maar preventief opgesloten blijft. Tenminste als tegen het einde van de gevangenisstraf uit risicotaxatie blijkt dat de dader nog gevaarlijk is. De dader komt pas vrij indien uit herhaalde taxatie blijkt dat het gevaar voor de samenleving tot een ‘normaal’ niveau gedaald is. De rechters hebben in deze landen zo de mogelijkheid om, los van welke psychiatrische diagnose dan ook en uitsluitend op geleide van het gevaarcriterium, de dader langer vast te houden. Risicotaxaties, waarvan de betrouwbaarheid de laatste tijd sterk is verbeterd, staan op zich  eveneens los van psychiatrische diagnostiek. Daarmee wordt het nut en de noodzaak van een adequate psychologische/psychiatrische behandeling niet in twijfel getrokken. Als de dader tijdens het strafproces geconfronteerd wordt met deze mogelijkheid, zal hij zeer waarschijnlijk eieren voor zijn geld kiezen en dus meewerken aan onderzoek in het PBC en de aansluitende behandeling. Hij krijgt daarmee immers de mogelijkheid om actief aan zijn invrijheidsstelling te werken. Hij laat door actief en loyaal mee te werken aan de behandeling tevens zien  dat hij spijt heeft van zijn handelwijze.

Als 1. En 2. ten tijde van het strafproces tegen Michael P. in 2011 waren gerealiseerd, dan was de rechter niet in een spagaat gekomen. Als immers de dader geconfronteerd zou zijn met de mogelijkheid van desnoods levenslange opsluiting na het uitzitten van de straf, zonder onderzoek in het PBC, dan zou hij vrijwel zeker gekozen hebben voor onderzoek en behandeling, en dat zeker indien de behandeling tijdens de straftijd gegeven zou worden. Hij zou dan nu, anno 2017, mogelijk toe zijn aan een voorzichtig begin van resocialisatie na vele jaren van opsluiting (tevens dienend ter delging van de straf) en adequate en diepgaande behandeling in een tbs kliniek. Maar ook indien hem preventieve hechtenis na de gevangenisstraf was opgelegd, zou hij nu nog opgesloten zijn, en zou Anne Faber met grote waarschijnlijkheid nu nog in leven zijn. 

Victor Verstappen